Hoewel er op Prinsjesdag 2026 weinig grote arbeidsrechtelijke wijzigingen zijn aangekondigd, schetst de Miljoenennota wel duidelijk contouren in verschillende beleidsvoornemens die de arbeidsmarkt en werkgevers de komende jaren zullen raken.
Beeld: © ANP / Remko de Waal
De politieke context maakt de uitvoering van veel plannen nog onzeker. Anders dan bij meerderheidskabinetten moet de coalitie van D66, VVD en CDA steun van oppositiepartijen zien te verkrijgen om voor de begroting te stemmen. Er is tot op heden namelijk nog geen meerderheid bereikt. Veel maatregelen moeten bovendien nog verder uitgewerkt en geconcretiseerd worden. Toch is de richting al duidelijk en zijn er voldoende ontwikkelingen voor HR om rekening mee te houden.
Welke veranderingen dit precies voor HR zijn, zetten we in dit artikel op een rij.
De arbeidsparticipatie blijft historisch hoog. In 2025 werkte 73,2 procent van de Nederlanders. Tegelijkertijd blijft de werkloosheid laag, met een geraamde werkloosheid van 3,9 procent in 2026 en 4,0 procent in 2027.
Hoewel de spanning op de arbeidsmarkt af is genomen ten opzichte van de piek in 2022, is nog altijd sprake van schaarste. In het tweede kwartaal van 2026 stonden er 95 vacatures open per 100 werklozen. Het kabinet constateert daarbij dat dit niet direct betekent dat er voor iedereen een baan is, omdat vraag en aanbod niet altijd op elkaar aansluiten. Het kabinet wil hiermee aan de slag, door ervoor te zorgen dat de vaardigheden van werklozen beter aansluiten op de gevraagde vaardigheden in vacatures.
“Ondanks de aanhoudende krapte wil het kabinet de mismatch tussen werkzoekenden en vacatures verkleinen”
Daar staat tegenover dat Nederlanders relatief weinig uren werken met gemiddeld 31,9 uur per week. Om meer werken aantrekkelijker te maken, onderzoekt het kabinet maatregelen zoals een arbeidskorting per uur en een meerurenvoordeel. Daarnaast werkt het kabinet aan een bredere hervormingsagenda op onder andere het inkomensbelastingstelsel, het toeslagenstelsel, overige inkomensregelingen en sociale zekerheid.
Het kabinet wil het socialezekerheidsstelsel meer activerend maken. In de troonrede geeft de koning dit een prominente plek met de woorden ‘Wie ziek wordt of werkloos, moet niet opgesloten worden in een uitkering. Dat is belangrijk voor mensen zelf, om het stelsel overeind te houden en voor toekomstige welvaart. Nederland heeft iedereen nodig.’ De achterliggende gedachte is dat mensen die kunnen werken sneller en beter moeten worden ondersteund richting werk.
In de Miljoenennota is terug te lezen waarom dit zo’n prominente plek krijgt: het aantal WW-uitkeringen stijgt naar verwachting in 2026 tot boven de 200.000. Tegelijkertijd groeit het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkering richting de 900.000. Om mensen sneller naar werk te begeleiden wil het kabinet in iedere arbeidsmarktregio een Werkcentrum realiseren waar werkgevers, werkenden en werkzoekenden terecht kunnen.
Ook wordt gekeken naar een meer activerende inrichting van de WW en arbeidsongeschiktheidsregelingen. Hoe de hervormingen van het stelsel er precies uit gaan zien, moet nog verder worden uitgewerkt. Hierover wil het kabinet afspraken maken met werkgevers en vakbonden in een breed sociaal akkoord. Een uitdaging als je het mij vraagt, nu de vakbonden al langere tijd op ramkoers liggen met het kabinet. De vakbonden willen dat de bezuinigingen op de sociale zekerheid volledig van tafel gaan. Het kabinet heeft nu slechts uitstel aangekondigd, zodat ruimte ontstaat voor een inhoudelijk gesprek over de toekomstig van de sociale zekerheid.
Ook kinderopvang blijft volgens het kabinet een belangrijk instrument om de arbeidsparticipatie te stimuleren. De uitbreiding van de kinderopvangvergoeding in 2027 wordt gedeeltelijk uitgesteld, maar het kabinet blijft inzetten op een hervorming die meer mensen in staat moet stellen om te werken.
Daarnaast wil het kabinet het wisselen van baan eenvoudiger maken door verdere hervormingen op de arbeidsmarkt.
Na twee jaren van daling groeide de productiviteit in 2025 met 2,4 procent. Het kabinet verwacht dat deze groei doorzet naar 2,5 procent in 2026 en 1,2 procent in 2027. Omdat het arbeidsaanbod door vergrijzing beperkt toeneemt, moet toekomstige economische groei vooral komen uit hogere productiviteit en een beter gebruik van het beschikbare arbeidspotentieel.
Om dit stimuleren zet het kabinet onder meer in op:
De lonen stijgen naar verwachting met 4,2 procent in 2026 en 3,8 procent in 2027. Dat resulteert volgens de raming in een stijging van de koopkracht met 0,6 procent in 2026. Voor 2027 wordt een lichte koopkrachtdaling van 0,1 procent verwacht. Om die daling tegen te gaan reserveert het kabinet middelen voor koopkrachtverbetering. Daarbij worden de volgende maatregelen aangekondigd:
Naast de grote hervormingsagenda zijn op het gebied van sociale zekerheid concrete besluiten genomen:
De discussie rondom zzp’ers blijft een belangrijk HR-dossier. Dit wordt benadrukt nu het kabinet in de troonrede een nieuwe Zelfstandigenwet aankondigt, die zelfstandigen meer ruimte moet geven om te ondernemen en tegelijkertijd schijnzelfstandigheid tegen moet gaan. Opvallend is dat Koning Willem-Alexander in zijn toespraak expliciet de onzekerheid die heerst bij opdrachtgevers benoemt: ‘De wet moet rust en duidelijkheid brengen om te voorkomen dat zzp’ers klussen mislopen uit angst van opdrachtgevers voor boetes achteraf.’ Dat het een maatschappelijk veelbesproken onderwerp is en tot lastige situatie leidt, wordt hiermee onderstreept.
In het kader van de wetgeving rondom zelfstandigen en schijnzelfstandigheid heeft het kabinet al acties ondernomen. Het verduidelijkingsgedeelte van het wetsvoorstel Verduidelijk Beoordeling Arbeidsrelaties (VBAR) is inmiddels ingetrokken. Daardoor blijft de beoordeling van arbeidsrelaties voorlopig gebaseerd op bestaande wetgeving en jurisprudentie. De Belastingdienst blijft ondertussen handhaven op schijnzelfstandigheid.
Wel wordt het voorgestelde rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een uurtarief lager dan 38 euro per uur voortgezet in het wetsvoorstel. Daarnaast werkt het kabinet verder aan de nieuwe Zelfstandigenwet die het nieuwe beoordelingskader voor arbeidsrelaties moet gaan bevatten. Er wordt gestreefd naar behandeling van het wetsvoorstel in de eerste en tweede kamer in 2027, zodat de wet op 1 januari 2028 in werking kan treden.
Het kabinet heeft aangekondigd dat het meer ruimte wil creëren voor mensen en bedrijven, door minder regelzucht en controledwang vanuit de overheid. Daarbij focussen ze op zelfbeheersing in het maken van nieuwe regels, om zo het stapelen van uitzondering op uitzondering te voorkomen. Daarnaast wil het kabinet minder regels, door het invoeren van een Vereenvoudigingswet. Die wet is gericht op het afschaffen van overbodige regels en wetten. Het doel is dat per jaar minimaal vijfhonderd regels verdwijnen of eenvoudiger worden. Daarmee wordt dit najaar al gestart.
Voor werkgevers wordt de Werkkostenregeling (WKR) verruimd. Over de eerste 400.000 euro van de fiscale loonsom stijgt de vrije ruimte van 2,00 procent naar 2,16 procent. Voor het deel van de loonsom boven 400.000 euro blijft het percentage 1,18 procent. De gerichte vrijstelling voor personeelskorting op branche-eigen producten wordt vanaf 2027 afgeschaft.
Het kabinet zet verdere stappen richting verduurzaming van zakelijke mobiliteit. Voor nieuwe personenauto’s van de zaak die rijden op fossiele brandstof gaat vanaf 1 januari 2027 een pseudo-eindheffing van 12 procent gelden. Voor auto’s die vóór die datum al ter beschikking zijn gesteld aan één van de werknemers geldt overgangsrecht.
Daarnaast vervalt vanaf 1 januari 2028 het verlaagde bijtellingspercentage van 20 procent voor nieuwe elektrische auto’s.
Het kabinet houdt vast aan de eerder aangekondigde aanpassing van de expatregeling. Vanaf 1 januari 2027 wordt de huidige 30 procent-regeling een 27 procent-regeling. Tegelijkertijd worden de salarisnormen verhoogd naar 50.436 euro voor reguliere werknemers en 38.338 euro voor medewerkers jonger dan 30 jaar met een academische mastertitel.
Prinsjesdag 2026 brengt weinig direct arbeidsrechtelijke wijzigingen voor werkgevers, maar laat wel duidelijk zien waar het kabinet de komende tijd op inzet: meer arbeidsparticipatie, meer gewerkte uren, hervormingen van de sociale zekerheid, talentontwikkeling en een beter functionerende arbeidsmarkt. De woorden van Koning Willem-Alexander zijn hierbij tekenend voor Prinsjesdag 2026: ‘Niet alles kan tegelijk. Niet alles is morgen opgelost.’ Voor HR-professionals liggen de grootste aandachtspunten daarom niet zozeer in de maatregelen die morgen ingaan, maar in de ontwikkelingen die voor de komende jaren te wachten staan.
Tegelijkertijd zijn de belangrijke en veelbesproken dossiers zoals hervorming van de WW, arbeidsongeschiktheidsregelingen en de positie van zelfstandigen voorlopig nog in ontwikkeling. Omdat veel voorstellen nog uitgewerkt moeten worden én het minderheidskabinet Jetten op veel plannen afhankelijk is van politieke steun, zullen de maatregelen de komende periode nog onderwerp zijn van politieke onderhandelingen. Welke plannen daadwerkelijk worden gerealiseerd en in welke vorm zullen we af moeten wachten.
Dit artikel is geschreven door Bjorn Donders, HRM-consultant bij Reijn.