We vertellen onszelf graag een geruststellend verhaal. Dat elke generatie vanzelf progressiever is dan de vorige. Dat ongelijkheid langzaam verdwijnt, simpelweg omdat het niet meer van deze tijd is. Een aantrekkelijk idee. Vooral omdat het ons buiten schot houdt. Maar dat verhaal begint te barsten.
Uit recent Ipsos-onderzoek, uitgevoerd met het Global Institute for Women’s Leadership van King’s College London, blijkt dat wereldwijd een aanzienlijk deel van de jonge mannen vindt dat zij uiteindelijk het laatste woord zouden moeten hebben in een relatie. In een peiling onder ruim 23.000 mensen in 29 landen gaat het om ongeveer 1 op de 3 jonge mannen.
Geen randopvattingen uit een obscure hoek van het internet, maar antwoorden uit een grote, internationale steekproef onder precies de generatie waarvan we verwachten dat ze ‘verder’ is. En dat wringt. Niet alleen door wat er wordt gedacht, maar vooral omdat het zo slecht past bij het beeld dat we van onszelf hebben.
Misschien is dat de echte verrassing: niet dat deze opvattingen bestaan, maar dat we dachten dat ze verdwenen waren. We hebben namelijk de neiging om onze eigen overtuigingen als norm te zien. In de sociale psychologie heet dat false consensus: we overschatten hoeveel anderen denken zoals wij, omdat we vooral mensen zien die op ons lijken.
Wie zich beweegt in een relatief homogene omgeving – qua opleiding, werk en sociale kring – gaat al snel denken dat afwijkende opvattingen uitzonderingen zijn. Terwijl ze dat niet zijn. Kijk je breder, dan zie je al langer dat die eensgezindheid er niet is. In eerdere Ipsos-metingen bewogen jonge mannen en vrouwen juist uit elkaar op thema’s als gelijkheid en feminisme. Niet vooruit, maar uit elkaar.
En toch blijven we doen alsof we ergens zijn aangekomen. Alsof gelijkheid iets is wat je bereikt en daarna hooguit bewaakt.
Wat mensen zeggen dat ze vinden, is maar een deel van het verhaal. Interessanter is hoe ze reageren op gedrag. Dat gebeurt grotendeels automatisch, via wat we sociale scripts noemen: razendsnelle aannames over hoe mensen zich ‘horen’ te gedragen. Wie het woord neemt, wie afstemt, wie overtuigend is. Of wie ‘wel erg aanwezig’ is.
Juist in tijden van sociale, culturele en economische onzekerheid grijpen we sneller terug op dat soort patronen. Ze bieden houvast. Wat vertrouwd voelt, voelt al snel juist. En daar zit het probleem: de status quo voelt niet alleen comfortabel, maar wordt ook al snel als logisch en vanzelfsprekend gezien.
Die patronen zie je nergens zo duidelijk als op de werkvloer. Neem een vergadering. Een mannelijke collega formuleert direct en zonder omweg. Hij wordt gezien als helder en besluitvaardig. Een vrouwelijke collega zegt inhoudelijk precies hetzelfde, op dezelfde toon. Zij wordt eerder ervaren als fel, dominant of ‘best stevig’. Het gedrag is hetzelfde, maar wordt anders gelezen.
En wat de denken bij beoordelingsgesprekken. Bij de één heet het ‘potentie’, bij de ander ‘nog wat onzeker’. Bij de één ‘leiderschap’, bij de ander ‘kan soms wat scherp overkomen’. De woorden verschillen subtiel, maar de uitkomst zelden.
Voor wie buiten het script valt, betekent dat voortdurend bijsturen. Niet alleen nadenken over wat je zegt, maar ook over hoe het overkomt. Niet te direct. Niet te voorzichtig. Niet bescheiden, maar zeker niet te stellig. Die constante zelfmonitoring kost aandacht en energie. Aandacht die niet naar de inhoud van het werk gaat, maar naar hoe gedrag wordt geïnterpreteerd.
En precies daar zit ook de relevantie voor organisaties: niet in wat mensen zeggen belangrijk te vinden, maar in hoe gedrag in de praktijk wordt gelezen en beoordeeld.
De reflex is vaak om dit soort inzichten te vertalen naar beleid. Dan geven we toch meer aandacht aan inclusie. Of we laten medewerkers een extra training volgen.
Maar het echte probleem zit nauwelijks in intentie. De meeste mensen vinden oprecht dat ze eerlijk handelen. Het zit in de dagelijkse praktijk. In kleine, terugkerende momenten:
Dat zijn geen abstracte vragen, maar observaties die je elke dag kunt doen. Tenminste: als je bereid bent ze te zien. Het zijn de patronen die zich afspelen in interacties. In de vergadering op maandagochtend, in presentaties en in besluitvorming. Elke dag opnieuw.
Het Ipsos-onderzoek is confronterend, maar misschien niet om de reden die we denken. Niet omdat sommige jonge mannen conservatiever blijken dan verwacht. Maar omdat hun opvattingen nog altijd naadloos aansluiten op gedrag dat wij zelf allang als opgelost beschouwen.
Dat maakt het verleidelijk om het probleem buiten onszelf te leggen. Maar dit gaat niet over generaties. Dit gaat over wat wij normaal vinden. We zien het verschil, maar benoemen het niet. Of we zien het niet, juist omdat het past bij wat we gewend zijn. En juist daarom blijft het bestaan.
Het wordt pas interessant als we onszelf een andere vraag durven stellen: waar lezen wij gedrag anders, zonder dat we het doorhebben?
We zijn misschien progressiever gaan denken. Maar nog niet eerlijker gaan kijken op de werkvloer.
Noor Elshof is gedragsdeskundige bij onderzoeksbureau Duwtje en vertaalt gedragswetenschap naar slimme duwtjes die mensen écht in beweging brengen.