Artikel
18 mei '09
18 mei '09
2 min

Voorwaarden voor ouderschaps­ver­lof­kor­ting

Wanneer een werknemer ouderschapsverlof geniet, dan kan hij/zij in aanmerking komen voor een extra heffingskorting. Dit is de zogenaamde ouderschapsverlofkorting. De ouderschapsverlofkorting bedraagt € 3,99 per verlofuur. Deze heffingskorting moet de werknemer zelf aanvragen bij de Belastingdienst. Dit kan gedurende het jaar door een voorlopige teruggave of pas achteraf bij de aangifte inkomstenbelasting.

Voorwaarde om in aanmerking te komen voor de extra heffingskorting, is dat het jaarloon in het jaar van opname lager moet zijn dan het jaar voorafgaand aan de opname. Daarnaast mag de totale heffingskorting die een werknemer claimt nooit meer bedragen dan het jaarloon voorafgaand aan de opname minus het jaarloon in het jaar van opname. Gaat een werknemer dus met ouderschapsverlof en krijgt hij/zij in datzelfde jaar een salarisverhoging, dan kan het zijn dat hij/zij geen recht heeft op de ouderschapsverlofkorting, omdat het jaarloon niet is gedaald.

Een voorbeeld ter verduidelijking:

Een medewerker krijgt een loonsverhoging per 1 januari 2009 van € 2250,- naar € 2500,- bruto per maand. Verder gaat deze persoon in mei 2009 met ouderschapsverlof. Hierdoor wordt het salaris dat wordt doorbetaald € 2130,- . In dit voorbeeld zijn de bedragen die worden genoemd voor het gemak gelijk aan het belastbaar loon.

In 2008 was het belastbaar loon dus € 2250,- * 12 = € 27000,-
In 2009 is het belastbaar loon over de eerste 4 maanden € 2500,- * 4 = € 10.000,- en over de rest van het jaar € 2130,- * 8 = € 17.040,-. In totaal dus € 27.040,-.

In dit voorbeeld is het jaarloon in 2009 hoger dan in 2008 en ontvangt de medewerker géén teruggave ouderschapsverlofkorting.

Tot 2009 was het ook nog verplicht om deel te nemen aan de levensloopregeling, om in aanmerking te komen voor de ouderschapsverlofkorting. Met ingang van 2009 is deze voorwaarde komen te vervallen.

Ad van Zutphen
Directeur Driessen